Dom Mintoff

Dominic MintoffDominic Mintoff.

Dominic Mintoff is een oude minister-president van Malta. Het is de belangrijkste politicus uit de moderne geschiedenis van het eiland. Mintoff werd geboren op 6 augustus van het jaar 1916 in Cospicua (Three Cities), waar hij opgroeide aan Irish Street. Hij studeerde in het jaar 1939 af voor zijn studie civiele techniek (weg- en waterbouwkunde) aan de universiteit van Oxford in Engeland. Hij werd daarom op Malta wel Il-Perit (de architect) genoemd.

De eerste periode dat Mintoff aan de macht kwam was tussen het jaar 1955 en het jaar 1958. Voordat hij aan de macht kwam richtte hij in het jaar 1949 eerst de MLP (Malta Labour Party; de arbeiderspartij) op. De MLP was een afsplitsing van de LP (Labour Party) van Dr. Paul Boffa. Mintoff was van mening dat de LP te rechts was en zodoende ontstond de MLP. Als leider van de oppositie bedreef Mintoff politiek vanaf het jaar 1951. Vervolgens won zijn partij de verkiezingen van het jaar 1955. Mintoff werd voor de eerste keer Minister President van Malta.

Malta was op dat moment nog niet onafhankelijk van Groot-Brittannië. Het land had hulp nodig bij de wederopbouw, omdat het zwaar getroffen was door bombardementen in de Tweede Wereldoorlog. Van Groot-Brittannië ontving het land echter weinig hulp. Ook in het Marshallplan was Malta niet opgenomen. Het land ontving dus niet zoals Nederland, België en Duitsland geld vanuit de Verenigde Staten voor de wederopbouw. Om Malta te redden wilde Mintoff in eerste instantie het land volledig op laten gaan in Groot-Brittannië, zodat het land dezelfde hulp zou ontvangen als de verschillende Britse regio's. In Londen werd het plan van Mintoff afgewezen. Mintoff eiste direct na de afwijzing dat Malta compleet onafhankelijk zou worden van Groot-Brittannië. Toen in het jaar 1958 bleek dat Londen dat niet wilde toestaan trad de regering van Mintoff af.

Tijdens deze eerste periode dat Mintoff regeerde probeerde hij Malta aantrekkelijk te maken voor investeerders. Het doel van Mintoff was om Malta op die manier financieel sterk te maken. Wanneer Malta financieel onafhankelijk zou worden van Groot-Brittannië, zou dat ook op politiek gebied kunnen.

Tussen het jaar 1958 tot het jaar 1962 stond Malta onder leiding van de Britse gouverneur Robert Laycock. Hierna kwam de PN (Partit Nazzjonalista; Nationalistische Partij) aan de macht. Deze partij ging, samen met de katholieke kerk van Malta, akkoord met voorwaarden die door Londen werden gesteld voor een eventuele onafhankelijkheid. Hierdoor zou Malta in ieder geval militair afhankelijk blijven van Groot-Brittannië. Mintoff was het met deze voorwaarden oneens. Tijdens de verkiezingen, waarin de PN won, werden de stemmingen ernstig beïnvloed door de katholieke kerken. Ondanks de grote macht van de kerken stemden toch 40.000 mensen voor de partij van Mintoff. Dit was echter bij lange na niet genoeg om zijn partij opnieuw aan de macht te brengen, waardoor Mintoff veroordeeld was tot een rol als leider van de oppositie.

Vanaf het jaar 1961 had de Labour Party grote ruzie met de katholieke kerk van Malta. Het verzet tegen de aanhangers van de partij van Mintoff groeide. In de kerken werd zelfs gezegd dat partijleden van de Labour Party zouden moeten worden afgemaakt als insecten. Oorzaak van de ruzie was een voorstel van de partij van Mintoff, waarbij op zes punten hervormingen werden aangekondigd. Het ging hierbij vooral om het overnemen van de westers normen en waarden en scheiding tussen kerk en staat. Iets wat op dat moment op Malta onmogelijk leek. De kerk bleef zich tegen de hervormingen verzetten. Aan de ruzie kwam een eind toen in het jaar 1969 vanuit het Vaticaan werd ingegrepen. Mintoff en zijn aartsrivaal Sir Michael Gonzi (PN) onderhandelden gedurende lange tijd. Tot er eindelijk oplossingen kwamen voor de problemen.

Bij de eerstvolgende verkiezingen, in het jaar 1971, werd Mintoff weer tot minister-president gekozen. Direct nadat de verkiezingsuitslag bekend werd, toog Mintoff naar The Governors Palace alwaar hij de Britse Gouverneur Generaal een order tot vertrek van het eiland overhandigde. Ook de NAVO mocht haar boeltje pakken. Reden voor dit laatste was het feit dat Malta, ondanks dat het Zuid-Europese hoofdkwartier op Malta was gevestigd, geen lid mocht worden van de NAVO. Doordat Mintoff steeds hogere financiële eisen aan de aanwezigheid van de Engelsen stelde (zij wilden niet meer dan 9,5 miljoen pond sterling betalen) en de rol van de Britten in de Middellandse Zee toch al bijna uitgespeeld was, wilden de Engelsen eigenlijk ook wel vertrekken.

Bij de onderhandelingen, waar ook de Nederlandse secretaris-generaal van de NAVO Joseph Luns bij betrokken was, over het vertrekken van de Britse militairen werd hoog spel gespeeld. Door het vertrek van de 3.500 Britse militairen en 7.000 familieleden zouden ruim 9.000 bewoners van Malta werkloos raken, waardoor het toch al arme Malta in een economische crisis zou geraken. Malta wilde hiervoor compensatie. Natuurlijk wilde Londen daar in eerste instantie niets van weten. Mintoff maakte handig gebruik van het feit dat Malta op een strategisch belangrijke plaats ligt. Hij liet de Britten weten dat wanneer er geen financiële compensatie kwam, hij de legerbasis zou verhuren aan de Russen. Uiteindelijk gingen de Engelsen niet overstag en werden de troepen voor 15 januari 1972 geëvacueerd.

Ook buurland Libië had belang bij het vertrek van de sterke militaire macht van Malta. Het steunde Malta financieel. Leider Kolonel Mu'amar Gaddafi van Libië vulde het begrotingstekort van Malta aan. Hieruit vloeide een stevige vriendschap tussen beide landen voort. Natuurlijk bleef Mintoff werken aan het bereiken van financiële onafhankelijkheid. Communistische staten als de voormalige Sovjet-Unie, China (Mao Zedong), Roemenië (Nicolae Ceausescu) en Noord-Korea (Kim Il-sung) werd gevraagd Malta te steunen met investeringen en leningen tegen lage rente. China bouwde bijvoorbeeld een groot droogdok in de Grand Harbour bij Valletta. In dit klimaat kon ook de zoon van de Noord-Koreaanse dictator Kim Il-sung, Kim Jong-il (de huidige 'president') door Mintoff op Malta worden ontvangen om vakantie te vieren en Engelse les te volgen aan de Maltese universiteit. Met hulp uit het de socialistische staten werden nieuwe fabrieken gebouwd en werd de productiecapaciteit van Malta vergroot. Daarnaast hield Mintoff zich ook wel bezig met de vrede en veiligheid in het Middellandse Zeegebied.

In het jaar 1974 werd Malta een republiek. Het belangrijkste dat tijdens deze regeerperiode van Mintoff gebeurde, was het bereiken van volledige onafhankelijkheid op 31 maart van het jaar 1979. Ook hierna ging Mintoff door met de opbouw van het land. Er werd bijvoorbeeld geïnvesteerd in de infrastructuur en gezondheidszorg. De nationalistische partij ageerde echter tegen de manier waarop Mintoff het land regeerde. Door uitvoerige propaganda van de oppositie ontstond in de westerse landen een beeld van Malta alsof het werd geleid door een dictator. Hierdoor bleven investeringen uit, waardoor Malta steeds meer afhankelijk werd van communistische landen die aan de boodschappen van de NP weinig waarde hechtten. De periode die hierop volgde was zeer rumoerig. De LP en PN vlogen elkaar continu in de haren. Er werd gesproken over corruptie en de PN volgde een destructief beleid, terwijl de partij van Mintoff juist probeerde het land op te bouwen. Het dieptepunt volgde op 15 oktober 1979. Ene Karmenu Grima poogde Mintoff te vermoorden in zijn kantoor in Auberge de Castille. Hierop betuigden aanhangers van LP massaal hun solidariteit met Mintoff. Aangezien zij aannamen dat NP achter de aanslag zat, werd koers gezet naar de woning van NP-leider Fenech Adami. Onderweg werd het pand van The Times (een progressieve krant) platgebrand. Het huis van Adami werd volledig geplunderd en zijn gezin werd mishandeld. Deze dag wordt in de Maltese geschiedenis beschreven als 'black monday'.

In het jaar 1984 besloot Mintoff te het presidentschap op te geven. Ondanks zijn aftreden bleef Mintoff actief binnen de arbeiderspartij. Hij werd een soort schaduwpresident. Bij de verkiezingen van het jaar 1998 stemde Mintoff echter tegen zijn eigen partij. Dit deed hij omdat de partij voor het lidmaatschap van de Europese Unie was. Mintoff was hier tegen. Zijn campagne tegen de EU leidde nergens toe. De Maltese bevolking koos toch voor lidmaatschap. Hiermee kwam een, voorlopig (?), einde aan de politieke aspiraties van Mintoff.

Door aanhangers van Mintoff wordt hij gezien als de grootste partizaan die Malta in de moderne tijd heeft voortgebracht. Er zijn mensen compleet idolaat van hem. Weemoedig denken mensen terug aan het Malta dat Mintoff voor ogen had. Ook tegenstanders kunnen niet weerleggen dat Mintoff belangrijk is geweest voor Malta. Al komt er vanuit de kerk, en vaak in de media, nog steeds kritiek op enkele van Mintoff's beslissingen.

Over de huidige toestand van Mintoff verschijnen zo nu en dan verhalen in de media. Hij beschrijft zichzelf als iemand die al jaren onder de invloed van de NAVO en de CIA onder de duim wordt gehouden, waardoor hij zich niet tot het Maltese volk kan richten en zich een gevangene in zijn eigen huis voelt. Mintoff stuurt dwaze brieven, waarin hij zich uitlaat in megalomane termen, naar staatshoofden van andere landen. Zo zond hij een vriendschappelijke brief aan de Zimbabwaanse dictator Robert Mugabe. In deze brief verzoekt hij om samenwerking en schrijft hij dat hij op gezag van George W. Bush wordt bespied door de CIA. Aan de voorzitter van de Europese commissie, José Manuel Barroso, liet hij weten dat Malta wil samenwerken met 'wat er nog over is van de EU'. Deze brieven worden eigenlijk door niemand serieus genomen.

Google
 
Web www.maltapagina.nl



Creative Commons License