Għar Dalam

Ingang van het museum van Ghar DalamIngang van het museum van Ghar Dalam

De Ghar Dalam is een 144 meter diepe en zeven meter brede grot in de omgeving van de plaats Birzebbuga op 15,5 meter boven de zeespiegel. De plek is interessant omdat hier het oudste bewijs voor de bewoning van Malta gevonden werd. De grot zou maar liefst 7.400 geleden door mensen bewoond zijn geweest, terwijl de oudste resten en fossielen van dieren in de grot maar liefst 500.000 jaar oud zijn. Daarnaast zijn in de grot grote hoeveelheden beenderen gevonden van dieren die inmiddels zijn uitgestorven.

Het ontstaan van de grot

De grot ontstond aan het eind van de laatste ijstijd; een periode die ruim twee miljoen jaar duurde. Grote delen van Noord-Europa waren toen bedekt onder een ijskap. Hoewel de ijskap niet tot Malta reikte, ondervond het land wel de gevolgen van de ijstijd. Het regende er namelijk vrijwel onafgebroken gedurende een periode van 300.000 jaar. Het regenwater vormde de rivieren, die vervolgens door erosie langzaam de valleien van Malta lieten ontstaan. In de vallei Wied Dalam loste bovendien een ondergrondse kalksteenlaag op in de regen, waardoor de grot Ghar Dalam ontstond. Aangezien de grot aan beide zijden open was, kon er een rivier doorheen stromen. Door de kou van de ijstijd, trokken veel dieren van Europa naar het zuiden. Dit deden zij onder andere via een landbrug, waar Malta onderdeel van uitmaakte. Toen het water in het Middellandse Zeegebied steeg, raakten de dieren ingesloten op het eiland. Die diersoorten moesten zich vervolgens sterk aanpassen aan de kleine habitat waarbinnen ze voortaan moesten leven. Van enkele soorten ontstonden daardoor dwergvarianten. Zo ontstonden er dwergolifanten en dwergnijlpaarden. Als dieren stierven, werden hun resten soms meegevoerd door de rivieren. De beenderen die in de Ghar Dalam werden gevonden, bevonden zich vrijwel allemaal in het sediment van zo'n rivier.

Het onderzoek in de grot

De Ghar Dalam is al eeuwen bekend als grot in Malta. In 1647 schreef ene Giovanni Francesco Abela erover in zijn boek over geologische verschijnselen op het eiland. Hij noemde de grot Ghar Dalmau. Waarschijnlijk was Dalmau de naam van een familie die land bezat in de vallei waaronder de grot zich bevindt. Ruim twee eeuwen later, in 1865, bezocht de Italiaanse paleontoloog Arturo Issel (1842 – 1922) de grot. Hij zocht er bewijs van prehistorische bewoning door mensen. In een twintig meter lange goot die hij groef, vond hij enkel wat resten van potten en een bot van een nijlpaard. In die tijd waren dergelijke vondsten nauwelijks interessant. Men was uitsluitend geïnteresseerd in bewijs van de afkomst van de eerste bewoners van Malta. Na Issel kwamen er andere (voornamelijk Maltese, Britse en Italiaanse) wetenschappers de grot onderzoeken. Onder hen bevonden zich John H. Cooke , Napoleon Tagliaferro (1857 – 1939), Giuseppe Despott (1878 – 1936), Thomas Ashby (1874 – 1931), Gertrude Caton Thompson (1888 – 1985), Carmel Rizzo, George Sinclair en Joseph G. Baldacchino (1894 – 1974). Uiteraard vond het onderzoek veelal plaats naar de wetenschappelijke maatstaven van die tijd. Wat grofweg inhoudt dat ze met de Franse slag door de grot gingen. Tegenwoordig zou het onderzoek veel nauwkeuriger worden uitgevoerd. Uiteindelijk werd er een enorme hoeveelheid beenderen uit de grot geoogst. Uiteindelijk werden er in de grot ook resten gevonden van mensen. In kiezen met vreemde wortels werd in eerste instantie bewijs gevonden voor bewoning door Neanderthalers. Toen de lokale tandarts JJ Mangion in 1962 bij een patiënt een soortgelijke kies trok, bleef van dat bewijs niets over.

Het museum

Old exhibition hallOld exhibition hall

Om de grote hoeveelheid vondsten tentoon te stellen, werd in de jaren dertig van de vorige eeuw door curator Joseph G. Baldacchino bij de Ghar Dalam een museum gebouwd. Dit is momenteel één van de weinige musea in originele Victoriaanse stijl die nog bestaan in Europa. Het museum vormt tevens de toegang tot het gebied waarin de grot is gelegen. In de periode dat het museum werd gesticht, hadden de musea geen educatieve functie. Ze bestonden vooral om bezoekers te imponeren. Daarom werden in dit museum enorme hoeveelheden van hetzelfde tentoongesteld, zonder de bezoekers daarover echt duidelijke uitleg te verschaffen. Bordjes met beschrijvingen werden pas later bij de rijen beenderen, geweien en tanden/kiezen geplaatst. Ook werden er skeletten van relatief recent gestorven dieren gebruikt om een indruk te geven van de dieren die in de grot terecht zouden zijn gekomen. Zo staan er skeletten van een jonge olifant en nijlpaard, in plaats van de skeletten van volwassen dwergolifanten en dwergnijlpaarden. De skeletten van de wolf, vos en hert zijn zelfs recente skeletten van volwassen dieren en zijn dus niet in de grot gevonden. Ondanks de overweldigende hoeveelheid die tentoongesteld staat, bezitten het Nationale museum voor Natuurhistorie te Mdina en het Natural History Museum in Londen nog grotere collecties van vondsten uit de Ghar Dalam.

De tentoonstelling in Victoriaanse stijl, wordt tegenwoordig de 'Old exhibition hall' genoemd en is de tweede (en laatste) hal in het museum die bezocht wordt. In de eerste hal wordt, aan de hand van didactische beschrijvingen en voorbeelden in vitrines, uitleg gegeven over het ontstaan van de grot, de bodemsoorten, de lagen in de grot, de dieren die in de omgeving leefden en de opgraving van de grot. Ook wordt bewijs van bewoning door mensen getoond aan de bezoekers. In 1980 werd een onvervangbaar deel van de collectie gestolen. Vier slagtanden van dwergolifanten werden weggenomen, tezamen met een schedel van een kind uit de neolithische periode.

Het museum en de grot zijn elke dag van de week te bezoeken van 09:00uur tot 17:00uur. De toegang bedraagt voor volwassenen € 5, -. Studenten, jongeren en senioren betalen € 3,50 en kinderen tot 12 jaar betalen € 2,50.

Een bezoek aan de grot

De grot Ghar DalamDe grot Ghar Dalam

Na een bezoek aan het museum, kan er langs enkele trappen (in totaal 64 treden) worden afgedaald naar de grot. Rondom de trappen zijn tuinen aangelegd vol endemische planten, bomen, struiken, cactussen en bloemen.

De grot is niet de mooiste die er bestaat. Slechts de eerste vijftig meter zijn voor bezoekers toegankelijk gemaakt, vanwege het gevaar op instorting. In het gedeelte dat niet te bezoeken is, zijn geen vondsten gedaan. De grot liep onder het museum en de weg door en was tot enkele tientallen jaren geleden nog vanaf de andere zijde toegankelijk. In de grot is duidelijk te zien welke lagen er in het sediment aanwezig zijn. Ook is zichtbaar hoe de grot is afgegraven voor het archeologische onderzoek.

De lagen in het sediment van de grot

Op basis van de resten die werden gevonden in de ondergrond van de grot Ghar Dalam, is deze grofweg onder te verdelen in zes lagen, waarbij de bovenste laag vanzelfsprekend de jongste is.

  • De Gecultiveerde dierenlaag; een 74 centimeter dikke laag met resten van vee, zoals koeien, paarden, schapen en geiten. Deze laag bevat ook resten die wijzen op menselijke bewoning, zoals aardewerk, scherven en gereedschap. De grot werd tot 1912 gebruikt als stal.
  • Een kalkhoudende laag met een dikte van ongeveer 0,6 centimeter.
  • De hertenlaag; een 1,75 meter dikke laag waarin resten van dwergedelherten zijn gevonden. Behalve herten werden er resten van roofdieren als de bruine beer, wolven en vossen gevonden. Ook grote zwanen, reuzenschildpadden en woelmuizen lieten hun skelet hier achter.
  • Een 35 centimeter dikke kiezellaag, die voornamelijk bestaat uit kiezelstenen en (grote) rotsen die door de rivier de grot binnen zijn gevoerd.
  • De nijlpaardlaag. Een 1,2 meter dikke laag waarin voornamelijk resten van Maltezer dwergnijlpaarden (hippopotamus melitensis) werden gevonden. Ook de resten van dwergolifanten bevinden zich in deze laag, evenals de resten van slaapmuizen.
  • Een botvrije kleilaag met een dikte van ongeveer 1,25 meter.

Van de genoemde lagen zijn vooral de nijlpaardlaag, de hertenlaag en de gecultiveerde dierenlaag interessant. De nijlpaardlaag bevat resten uit een langdurige tropische periode in de prehistorie. De hertenlaag bevat resten uit de ijstijd (die in Malta voornamelijk bestond als regentijd) en de gecultiveerde dierenlaag is ontstaan tijdens bewoning door de eerste mensen van Malta.

De nijlpaardlaag

Al in de prehistorie begaven dieren zich in de grot. Velen van hen slaagden er niet in de grot weer levend te verlaten. Andere dieren (of hun resten) werden met het water van de rivier de grot in gespoeld. Onder in de grot zijn daardoor veel skeletten van dieren achtergebleven, die later door archeologen konden worden geborgen. Daardoor kan veel gezegd worden over de dieren die in het verre verleden (tot 500.000 jaar geleden) in de omgeving leefden. Zo werden er onder andere resten van dwergolifanten (met een schofthoogte van ongeveer 90 centimeter), dwergnijlpaarden en slaapmuizen gevonden. Doordat de nijlpaarden en olifanten op het eiland geen natuurlijke vijanden hadden en er een gebrek aan eten bestond, kwam er eilanddwerggroei voor. Dat is een evolutionair verschijnsel waarbij diersoorten die afgezonderd op een eiland leven kleiner worden. Het feit dat soortgelijke resten door archeologen ook op onder andere Sicilië, de de Eolische eilanden en Pantelleria werden aangetroffen, geldt als bewijs dat Europa en het noorden van Afrika ooit met elkaar verbonden waren.

De hertenlaag en gecultiveerde dierenlaag

Tijdens een periode, ongeveer 18.000 jaar geleden, waren het vooral hertachtigen waarvan skeletten in de grot terecht kwamen, maar ook de resten van wolven, vossen, de bruine beer en verschillende vogelsoorten werden gevonden in de middelste laag.

In de gecultiveerde dierenlaag werden de bewijzen gevonden van bewoning door mensen. Aangenomen wordt dat zij vanuit Sicilië naar Malta kwamen en dat het vissers waren. Het is het oudste bewijs van bewoning door mensen van Malta. Veel recenter werd de grot gebruikt door herders om hun kuddes in te stallen.

Oorlogstijd

Toen Malta op 11 juni 1940 (de dag nadat Italië de oorlog verklaarde aan Groot-Brittannië en Frankrijk) voor de eerste keer in de Tweede Wereldoorlog werd gebombardeerd, besloten mensen uit de omgeving hun toevlucht te zoeken in de Ghar Dalam. Ze bedreigden de oude dove toezichthouder, waarna hij de poorten voor hen opende. Toen de districtscommissaris een maandje later poolshoogte kwam nemen, trof hij er 197 vluchtelingen aan; 99 uit Birżebbuġa, 35 uit Żejtun, 34 uit Marsaxlokk, 25 uit Cospicua, twee uit Valletta, één uit Tarxien en eentje uit Ħal Għaxaq. Ze wisten redelijk comfortabel in de grot te overleven doordat er streng gelet werd op de hygiëne. Alleen de vluchtelingen mochten permanent in de grot verblijven, maar wanneer het luchtalarm klonk, zochten ook anderen er hun toevlucht. In september van 1940 werd de grot aangewezen als een geschikte plaats voor de opslag van brandstof voor legervliegtuigen. De vluchtelingen werden een maandje later uit de grot gezet en ondergebracht in vervangende woonruimte. Toen de oorlog voor Malta in 1944 eindigde, werd ook de brandstofopslag uit de grot verwijderd. Nadat de situatie op 1 april 1947 onder toezicht van deskundigen in de oude staat was hersteld, werden de grot en het museum weer voor het publiek opengesteld.

Bereikbaarheid

Ghar Dalam is eenvoudig te bereiken met bus 82 vanuit Valletta. De halte 'Dalam' ligt direct voor de ingang van het museum. Ook lopend vanuit Birzebbuga is de grot vrij eenvoudig bereikbaar. Het centrum van de plaats is eenvoudig te bereiken met de bus X4. Ook met bijvoorbeeld een huurauto moet het geen probleem zijn om de grot te vinden. Ghar Dalam ligt aan de weg tussen Zejtun en Birzebbuga.



Google